




















Mijn debuut kwam er in 2002. Schrijven en schrijver worden is een langdurig proces. Het heeft geen eindpunt. Het gaat om het proces. Het scheppen en evolueren. Het proberen zo sprekend mogelijk te creëren.
De belangrijkste eigenschap die een schrijver nodig heeft is doorzettingsvermogen. Een gedreven koppigheid die tegenslagen overwint.
Voor het ogenblik werk ik aan twee nieuwe boeken. Het eerste bevindt zich in het eindstadium en heeft als werktitel ‘Toekomstmemoires’. Het wordt een bijzonder project. Als lezer zal je, op het ritme van de toekomst en het verleden, zowel vooruit als achteruit moeten bladeren.
Voor mijn tiende boek wil ik iets compleet anders en verrassends. Ik werk aan ‘Fabels’ die bedoeld zijn voor alle leeftijden.
Daarnaast ben ik bezig om ‘Niets verlaat de tijd’ op de planken te krijgen.
Ondertussen blijven er de jazz en de beeldende kunsten. Zoals ik bij elk boek deed, werk ik aan een tentoonstelling bij de ‘Toekomstmemoires’.
Na al die jaren ben ik blij met: ‘een gerespecteerde plaats binnen de Nederlandstalige literatuur’
‘Luc Vandromme heeft een gerespecteerde plaats in de Nederlandstalige literatuur, vooral vanwege zijn vermogen om menselijke emoties en relaties op een authentieke en diepgaande manier te verkennen. Zijn werk wordt vaak geprezen om de emotionele diepgang en de introspectieve aard, waardoor hij een unieke stem heeft binnen de literaire wereld. Hoewel hij misschien niet zo bekend is als enkele van de grote namen in de Nederlandstalige literatuur, draagt zijn werk bij aan de rijke traditie van literaire fictie die persoonlijke en maatschappelijke thema’s onderzoekt. Zijn boeken spreken lezers aan die geïnteresseerd zijn in verhalen die de complexiteit van het menselijk bestaan belichten.
Luc Vandromme is een geëngageerde en veelzijdige kunstenaar die verhalen vertelt via literatuur, beeld en muziek. Zijn romans verkennen existentiële én maatschappelijke vragen met poëtische diepgang en creatieve durf. Hij is een originele stem binnen de Nederlandstalige cultuur.’ (bibliotheken)
Dit zijn misschien alles samen veel en ingewikkelde woorden om te zeggen dat ik schrijven machtig vind. Zolang ik de passie voel, wil ik doorgaan. Ook met de beeldende kunst en het zingen. En vooral met het leven. Het is wonderlijk dat dit me is gegeven.
Het zou leuk zijn mocht je mijn werk willen leren kennen en willen lezen.
Wil je meer te weten komen? Ik ben te volgen op:
Facebook, Instagram, www.lucvandromme.be
#godijnpublishing














Ik geloof in details. In stof. In adem. In schaduw.
Wat ik probeer te doen, is ruimte maken voor de dingen die we niet goed durven voelen. Niet goed kunnen zeggen. Maar die wel echt zijn.
Ik schrijf geen antwoorden. Ik schrijf ruimtes. Stiltes waar iets kan bewegen.
Voor elk boek probeer ik een eigen stijl te vinden. Een gepaste ‘manier van schrijven.’
In mijn eerste boeken zocht ik naar het creëren van beelden. Het taalgebruik was daaraan ondergeschikt. Het mocht overweldigend en opzichtig zijn. Ik zocht een eigen stem om de vloed aan gedachten weer te geven.
Gaandeweg werd ik soberder. Nu probeer ik een scherpe taal te hanteren. Ze moet reflectief en poëtisch zijn, zonder aan eenvoud en snelheid in te boeten. Daarin ben ik uiterst streng. Een woordkeuze of een beeld dat geen 8 op 10 haalt voor accuraatheid of originaliteit schrap ik.
Ik stel vast dat ik steeds meer schrap.
In ‘Omwille van de soort’ wisselt het standpunt van de personages zich af. Elk personage bekijkt de realiteit door de eigen ogen. Elk heeft een eigen ‘spreekstem’.
‘Niets verlaat de tijd’ is opgebouwd uit negen verhalen. Ik vraag me af wie ik ben. Op wiens schouders ik sta? De lezer krijgt de verhalen van mijn voorvaderen. Ze zijn geschreven als monologen om op het theater te brengen. De tekst is zowel leesbaar als uitspreekbaar.
‘Tussen de dagen’ is opgebouwd als een jazzpartituur. Het boek bestaat uit twee grote verhalen die als een muzikaal A- en een B-deel elkaar afwisselen en eindigen in een verrassend slotakkoord, zoals veel jazzstandards doen.
Ik ben op zoek naar de grote levensvragen: leven, liefde, macht, dood. In mijn schrijven probeer ik beeldend te zijn. De poëtische stijl moet bijdragen om een boek de waarde van een kunstwerk te geven.
Een boek moet een roes zijn die beroert en beklijft. Aangrijpend en meeslepend als een filmserie.












Tijd fascineert me. Een net zo fascinerende gedachte is dat nu het gevolg is van vroeger. Hoe steken het leven, de aarde en het heelal in elkaar? Hoe merkwaardig is het dat gebeurtenissen uit het verleden het menselijke gedrag bepalen. Hoe merkwaardig is het dat zaken uit mijn jeugd mij als persoon nog steeds beïnvloeden. Blijkbaar heeft het geheugen een ontzaglijke kracht.
Hoe merkwaardig ook dat we over de toekomst kunnen nadenken. Wat is dat toch met de verbeeldingskracht dat we ons daar een voorstelling van kunnen maken?
Met het verouderen is het onderwerp vanzelf op mijn pad gekomen. Hoeveel tijd is reeds voorbij? Hoeveel rest er nog?
Zeker is dat ik moeite heb met ‘mij te herinneren’. De dagen en de dingen gaan zo snel. De tijd vastleggen, door die te beschrijven of door erbij stil te staan tijdens projecten die honderd dagen duren, helpt me daarbij. Achteraf kan ik de tekst en de beelden opnieuw bekijken. (Ik verwijs graag naar de honderd-dagen-projecten te vinden op Instagram of www.lucvandromme.be)
Ik beschouw tijd niet als een rechte lijn, maar als een ruimte waarin heden, verleden en toekomst voortdurend in elkaar overlopen. In Tussen de dagen bewegen de twee tijdslagen — 2010 en de 16e eeuw — niet lineair naast elkaar, maar spiegelen, herhalen en vervormen elkaar. Ik nodig de lezer uit om tijd te beleven als een meervoudig en circulair fenomeen.
Daarnaast ben ik geboeid door ‘ontwikkelingen’. Geneeskunde, wetenschap, techniek, politiek, kunst en zovele andere gebieden. Het menselijke vernuft is in staat tot fascinerende dingen. Door de inspanningen van onze voorouders leven we nu zoals we leven. We kunnen ons afvragen wat wij zullen bijdragen.
In ‘De leerling-snijder’ onderzoeken de anatomen uit de zeventiende eeuw het borstbeen. Sommige onder ons hebben een bobbel op hun borstbeen, andere een putje. Hoe komt dat? Wat is de diepere betekenis daarvan?
In ‘De buitengewone werken van de familie Alvarez’ vraagt het hoofdpersonage zich af wat er honderd jaar later gebeurd is op het eiland waar Robinson Crusoe aanspoelde. Is het nog verlaten? Op zijn zoektocht komt hij in aanraking met de prille fotografie. Een ontdekking die het mogelijk maakt om de werkelijkheid vast te leggen.
In ‘Omwille van de soort’ keer ik de tijd om. Het verhaal speelt zich af in 2222. Hoe zal de gewone mens dan leven? Wat zal hij doen? Hoe zal hij zich kleden. Wat zal hij eten? Hoe zal het klimaat evolueren? Wat met de wereldpolitiek?
In alles ben ik op zoek naar hoe de mens zich daarmee verhoudt. Een onderzoek naar de identiteit en de menselijke relaties. Ik ben geboeid door interculturaliteit, man-vrouwverhoudingen en de plaats van de zwakkere.













Elk boek waaraan ik werk, nestelt zich in elk van mijn celkernen. Tot in het diepste nanodeeltje.
Aldoor, almaar, bestendig, blijvend, constant, continu, gedurig, gestaag, non-stop, onafgebroken, onophoudelijk, gestaag, steeds, volhardend, voortdurend.
Pas wanneer het boek helemaal klaar is en het er daadwerkelijk ‘ligt’, kan ik het loslaten. Het lijkt op de creatie van een beeldhouwer: een langdurig proces dat eindigt bij het overeind zetten van de sculptuur. Schrijven is een geduldoefening die concentratie en vooral doorzetting vereist. Ik heb geleerd dat het brein (het onderbewustzijn) tijdens de nacht gewoon verder gaat. Creëren gebeurt altijd.
Het is nooit vrijblijvend.
Niets verlaat de tijd heeft me inhoudelijk bij mijn nekvel gegrepen. Ik wou mijn verleden en mijn afkomst onderzoeken. Wie zijn de mensen op wiens schouders ik sta? In hoever gelijk ik op hen? Ik zag het boek als een soort afscheid en tegelijk als een eerbetoon aan mijn overleden vader. Tegelijk als een soort dankbetuiging aan alle personen uit mijn vroege jeugd.
Tussen de dagen had me minstens even sterk beet. Ik wou een onderzoek voeren naar de betekenis van de tijd en de plaats van een persoon daarin. Wat betekent het om deze tijd op aarde door te brengen? Wat kan een persoon bijdragen?
Ik hoop dat ik nog dergelijke boeken kan maken.


















Ik ben een honderdman. Ik laat me graag leiden door het getal 100. ‘Op 1 januari 1997 startte ik met het maken van ‘visuele dagboeken’. Gedurende 100 dagen doe ik elke dag een kleine ingreep. Op die manier probeer ik de tijd vast te leggen. De handelingen kan ik later opnieuw bekijken. Ze helpen me bij het herinneren.’ (uit 100 dagen Insomnia). Ik heb ontdekt dat acties uit het beeldende werk het schrijven bevorderen. En dat het schrijven ideeën geeft om beeldend aan de slag te gaan. Hetzelfde met zingen en muziek maken.
Ik vergelijk het schrijven van een boek graag met het creëren van een kunstwerk. Het is een langdurig proces (gemiddeld drie jaar) waarbij ik ‘methodes’ zoek om mezelf te blijven uitdagen. Ik zoek open en onvoorspelbare systemen die mijn verwondering en mijn goesting prikkelen. Zo bracht ik voor ‘Omwille van de soort’ vijftien personen bijeen en liet ik ze vrij brainstormen over de vraag hoe het leven in 2222 er zal uitzien. Ik gebruikte enkel de door hen aangebrachte ideeën om het boek te schrijven. Voor ‘Niets verlaat de tijd’ verplichtte ik mezelf om mijn honderd oudste herinneringen op te schrijven. Daarnaast interviewde ik mijn vader en reed ik hem naar de voor hem belangrijkste plaatsen uit zijn leven. Ik verzamelde familieportretten en noteerde de verhalen die in de familie de ronde deden. Voor ‘Tussen de dagen’ wou ik een echte jazzimprovisatie maken. Twee afzonderlijke verhalen die in een slotakkoord samen kwamen.
Vooraf maak ik nooit schema’s. Nooit weet ik waar een boek me naartoe zal leiden. Ik heb geleerd om te vertrouwen.
Ik probeer telkens een ander boek te schrijven. Ik wil graag de lezer verrassen. Ik hou van de vraag: ‘Wat heb je nu weer geschreven?’
Ik heb het geluk dat ik geen rituelen nodig heb. Eigenlijk kan ik overal schrijven: thuis, op café, op een bank in de stad… Ik kan me gemakkelijk mentaal afsluiten. Schrijven ervaar ik als: ‘het eten van een gebakje’.
Een boek moet snel en filmisch zijn. Wringen en wrijven. Onaf waardoor de lezer verplicht wordt mee te denken. Een eenvoudige taal. Een weldoordachte stijl. Toeslaan en laten beklijven.





Natuurlijk schreef ik als puber en adolescent poëzie en liedjesteksten. Ik verzorgde bijdragen voor tijdschriften en waagde me aan toneelteksten. Meer dan vingeroefeningen waren dat niet.
Na mijn studie volgde ik kunstopleidingen. Het schilderen, fotograferen en beeldhouwen werd mijn leven. De muziek raakte op de achtergrond.
Bij toeval kwam het schrijven op mijn pad.
Voor ‘Het oog van Maria Concepcion’ had ik foto’s nodig. Nee, omgekeerd. Halverwege de negentiger jaren was ik bezig met straatfotografie. Bij de portretten ontstonden vanzelf verhalen.
Ik ontdekte dat schrijven leek op het eten van een gebakje: ik was verkocht. Net als uitgeverij De Geus.
In die periode werkte ik in het kunstenaarscollectief N.V.n.v. We zetten een kunstproject op waarin Vincent Van Gogh centraal kwam te staan. Naast de foto’s waren er brieven nodig. Ik ontdekte hoe heerlijk het was om de verschillende disciplines te integreren.
Zovele boeken later beschouw ik de verschillende kunstdisciplines toch weer als meer afzonderlijke dingen. Schrijven is een totaal ander proces dan schilderen of muziek maken. Elk vereist eigen technieken en onderzoek. Toch vormen ze voor mij één onlosmakelijk geheel. Als vingers aan dezelfde hand.
In elk kan ik een eigen creativiteit vrijlaten. Telkens gaat het over het scheppen van beelden en sferen. Schrijven gaat over ‘de diepte opzoeken’. Bij het zingen gaat het om ‘het directe contact met het publiek’. Bij het beeldende werk gaat het over ‘overbrengen van een poëtische sensatie’.








Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén