Ik geloof in details. In stof. In adem. In schaduw.
Wat ik probeer te doen, is ruimte maken voor de dingen die we niet goed durven voelen. Niet goed kunnen zeggen. Maar die wel echt zijn.
Ik schrijf geen antwoorden. Ik schrijf ruimtes. Stiltes waar iets kan bewegen.
Voor elk boek probeer ik een eigen stijl te vinden. Een gepaste ‘manier van schrijven.’
In mijn eerste boeken zocht ik naar het creëren van beelden. Het taalgebruik was daaraan ondergeschikt. Het mocht overweldigend en opzichtig zijn. Ik zocht een eigen stem om de vloed aan gedachten weer te geven.
Gaandeweg werd ik soberder. Nu probeer ik een scherpe taal te hanteren. Ze moet reflectief en poëtisch zijn, zonder aan eenvoud en snelheid in te boeten. Daarin ben ik uiterst streng. Een woordkeuze of een beeld dat geen 8 op 10 haalt voor accuraatheid of originaliteit schrap ik.
Ik stel vast dat ik steeds meer schrap.
In ‘Omwille van de soort’ wisselt het standpunt van de personages zich af. Elk personage bekijkt de realiteit door de eigen ogen. Elk heeft een eigen ‘spreekstem’.
‘Niets verlaat de tijd’ is opgebouwd uit negen verhalen. Ik vraag me af wie ik ben. Op wiens schouders ik sta? De lezer krijgt de verhalen van mijn voorvaderen. Ze zijn geschreven als monologen om op het theater te brengen. De tekst is zowel leesbaar als uitspreekbaar.
‘Tussen de dagen’ is opgebouwd als een jazzpartituur. Het boek bestaat uit twee grote verhalen die als een muzikaal A- en een B-deel elkaar afwisselen en eindigen in een verrassend slotakkoord, zoals veel jazzstandards doen.
Ik ben op zoek naar de grote levensvragen: leven, liefde, macht, dood. In mijn schrijven probeer ik beeldend te zijn. De poëtische stijl moet bijdragen om een boek de waarde van een kunstwerk te geven.
Een boek moet een roes zijn die beroert en beklijft. Aangrijpend en meeslepend als een filmserie.












Geef een reactie