Elk boek waaraan ik werk, nestelt zich in elk van mijn celkernen. Tot in het diepste nanodeeltje. 

Aldoor, almaar, bestendig, blijvend, constant, continu, gedurig, gestaag, non-stop, onafgebroken, onophoudelijk, gestaag, steeds, volhardend, voortdurend.  

Pas wanneer het boek helemaal klaar is en het er daadwerkelijk ‘ligt’, kan ik het loslaten. Het lijkt op de creatie van een beeldhouwer: een langdurig proces dat eindigt bij het overeind zetten van de sculptuur. Schrijven is een geduldoefening die concentratie en vooral doorzetting vereist. Ik heb geleerd dat het brein (het onderbewustzijn) tijdens de nacht gewoon verder gaat. Creëren gebeurt altijd. 

Het is nooit vrijblijvend. 

Niets verlaat de tijd heeft me inhoudelijk bij mijn nekvel gegrepen. Ik wou mijn verleden en mijn afkomst onderzoeken. Wie zijn de mensen op wiens schouders ik sta? In hoever gelijk ik op hen? Ik zag het boek als een soort afscheid en tegelijk als een eerbetoon aan mijn overleden vader. Tegelijk als een soort dankbetuiging aan alle personen uit mijn vroege jeugd. 

Tussen de dagen had me minstens even sterk beet. Ik wou een onderzoek voeren naar de betekenis van de tijd en de plaats van een persoon daarin. Wat betekent het om deze tijd op aarde door te brengen? Wat kan een persoon bijdragen?  

Ik hoop dat ik nog dergelijke boeken kan maken.