Natuurlijk schreef ik als puber en adolescent poëzie en liedjesteksten. Ik verzorgde bijdragen voor tijdschriften en waagde me aan toneelteksten. Meer dan vingeroefeningen waren dat niet.
Na mijn studie volgde ik kunstopleidingen. Het schilderen, fotograferen en beeldhouwen werd mijn leven. De muziek raakte op de achtergrond.
Bij toeval kwam het schrijven op mijn pad.
Voor ‘Het oog van Maria Concepcion’ had ik foto’s nodig. Nee, omgekeerd. Halverwege de negentiger jaren was ik bezig met straatfotografie. Bij de portretten ontstonden vanzelf verhalen.
Ik ontdekte dat schrijven leek op het eten van een gebakje: ik was verkocht. Net als uitgeverij De Geus.
In die periode werkte ik in het kunstenaarscollectief N.V.n.v. We zetten een kunstproject op waarin Vincent Van Gogh centraal kwam te staan. Naast de foto’s waren er brieven nodig. Ik ontdekte hoe heerlijk het was om de verschillende disciplines te integreren.
Zovele boeken later beschouw ik de verschillende kunstdisciplines toch weer als meer afzonderlijke dingen. Schrijven is een totaal ander proces dan schilderen of muziek maken. Elk vereist eigen technieken en onderzoek. Toch vormen ze voor mij één onlosmakelijk geheel. Als vingers aan dezelfde hand.
In elk kan ik een eigen creativiteit vrijlaten. Telkens gaat het over het scheppen van beelden en sferen. Schrijven gaat over ‘de diepte opzoeken’. Bij het zingen gaat het om ‘het directe contact met het publiek’. Bij het beeldende werk gaat het over ‘overbrengen van een poëtische sensatie’.








Geef een reactie