‘Ik heb een zuster en een broer. Die kun je niet kiezen.

   Omdat ze ouder zijn, zijn ze eerder uit de hemel gevallen. Van een andere ster nedergedaald, want ze zijn anders. Mag dat? Mag een familie vanuit verschillende hoeken van het heelal worden gelanceerd? Komen zij van de maan en ik van een lichtgevende planeet? Daarin verschillen we. Zij zijn donker, terwijl ik binnenin iets zie schijnen. Een vonk eeuwigheid die normaal bij een geboorte vanzelf dooft. Ze zit onder mijn huid en zet me in beweging. Met een aandrijving die ze op de maan missen. Daar is alles traag. Stil. Soms furieus. Meestal droog en ernstig.

    God moet er zijn Hand in hebben. Waarom stuurde Hij anders zijn Engelen? Ik moet iets bijzonders zijn dat Hij zich deze moeite heeft getroost.

   Het is eersteklas om dit te beseffen. Het leven is mij gegeven. Zomaar. Ondanks de onwillige schoot die me droeg. Er is geen grootser geschenk. Dit bestaan is van Hogerhand gearrangeerd.

   Vrij neem ik volle ademteugen.

   De Aarde is mij gegeven. De wolken. De lucht. De zonnewarmte. Alle geuren. Elke schakering. Dit lichaam. Deze Tijd. 

   Draag ik het Goddelijke in mij?

   Ben ik van God?

   Ik zal leven.’

(uit Niets verlaat de tijd)

Bij toeval is het schrijven op mijn pad gekomen. Als kind wou ik ‘Mozart’ worden.

‘Ik start vandaag. Een componist heeft geen tijd te verliezen.’ (uit Niets verlaat de tijd.)

Ik moet je meenemen naar de bieten- en maïsvelden. Naar waar Tiegemberg glooit. Waar het huis met het indrukwekkende raam uitziet over het zwerk en het wrochten.

Bij toeval vonden we halverwege de tachtiger jaren een woning in Anzegem. Een oude boerderij naast de Landergemmolen. Twee stadsmensen uit Kortrijk. Een haast antropologische expeditie.

Van waar we tussen de schapen over de veldwegen uitkeken, zagen we het beroemde venster van het Lijsternest. Daarachter had de kolossale Stijn Streuvels geschreven. Het stond bekend dat hij dagelijks tussen de akkers stapte. Honderden keren zouden we dezelfde wegels bewandelen. Ze werkten als een magneet. Ook zijn werk.

Hoe kon het dat iemand zich in het onbenullige Ingooigem met woorden bezighield? Hoe kon een persoon zich tussen het landbouwgeweld wijden aan zoiets onnodigs? Waarom koppig de taal vernieuwen wanneer de Schepping arbeid vraagt?

Ik las ‘De oorlogsdagboeken’ uit de eerste Wereldoorlog en ging overstag. Waar ik voorheen overging, werd iets onomkeerbaars. Wat begonnen was met de grote internationale helden werd iets van dichtbij. Het was mogelijk om op de eigen grond en in de eigen kleine taal te creëren.

Ondertussen hebben we de voet van de heuvel verlaten. Het graan, de maïs en de spruiten verschillen. Wat blijft, is de onverzettelijkheid. De dankbaarheid voor het devies van het grote toonbeeld: ‘Nulla dies sine linea.’ Geen dag zonder een lijn te schrijven.

Misschien mezelf toch even voorstellen?

1 Belg, geboren in Kortrijk – 64 jaar – 1m69 – 1 echtgenote – 3 dochters – 1OOman – gemiddelde lichaamstemperatuur 37,1°C – 10.000 volt – 40 jaar Oostende Oh la la la – 1OOden jazzstandards, chansons, popsongs en bluesnummers om te zingen – 1 pasta a day – ontelbare verftubes en canvasdoeken – 8 romans – 24 uren op een dag – steeds groter wordend voorhoofd – 70 kilometer perfecte fietsafstand – 0 tot 1 glas alcohol – 2 kleindochters om verliefd op te zijn – 1 liefhebber van de kievit – 3 koppen koffie per dag – het 7-uur journaal – 90 minuten schrijfconcentratie – 100dagen projecten sinds 1997 – slechts 1 leven – 2 goede handen, behalve waar het elektriciteit, motoren, sanitair, houtverbindingen en mechanische mini-onderdelen betreft – 1 huis tussen de velden –1 piano voor slechts 10 vingers – 1 nog in leven zijnde moeder – 1 Gmin7 – 1000 en meer bloemen rondom – 10.000 stappen onder de wolken – 1 dankbare persoon voor alles wat op het pad komt