20.
Mijn gedachten doen me beven. Liever nog zou ik een dier onder mijn bed vinden. Dan loop ik naar de gang en daar heen en weer. Dat er niets meer is, dat is raar. Soms heb ik gewone dromen.
Mijn gedachten doen me beven. Liever nog zou ik een dier onder mijn bed vinden. Dan loop ik naar de gang en daar heen en weer. Dat er niets meer is, dat is raar. Soms heb ik gewone dromen.
De eerste keer had niets met romantiek te maken. Mijn hand hing slap naar beneden. Mijn jas durfde ik niet uit te trekken. Als ik nu de koningin ontmoet, geen probleem. Gewoon even een kletspraatje. God wat leuk.
Ik wil zelfs een boterham voor je smeren. Ik heb altijd geleefd als een clochard. ook ‘s nachts, de fles naast mijn bed. Da’s geen façade hoor. Ik ruik de meikevers nog.
Ik krijg van mijn uitgever wel eens boeken. Kort en bondig. Ik heb daar veel aan gehad. Allemaal wilde verhalen over meisjes. Dan ga ik eerst wat eten in de stad.
Ik heb ook zo’n periode gehad. Ik dacht werkelijk als volgt. Oh, ik ben een jeugdige delinquent. Gelukkig ben ik blijven evolueren. Ik steek mijn broek niet zomaar meer af.
Als het te goed gaat, is het voor mij gevaarlijk. Het is moeilijk om daar een woord op te plakken. Ik ben al eens dicht bij de dood geweest. Ik heb die confrontatie nodig gehad. Als het voorvalt, begin ik te koken.
Zij had die zelfmythologisering vanaf het prille begin. Ja, dat gevoel had ze al toen ze 16 was. Zo hebben we elkaar leren kennen. Ze leerde autorijden in Haarlem. Lange rok, lang blond haar.
Carl en Els zijn net getrouwd. Ze wonen in een caravan op het strand. Hij komt thuis van zijn dagtaak. Ze ligt bewusteloos op de grond. Misschien kan ze geholpen worden.
Kate is de dochter. Catherine de moeder. Ze is overtuigd dat haar vader dood is. Na het overlijden van haar moeder, ontdekt ze dat haar vader nog in leven is.
Ik heb ook zo'n periode gehad. Ik dacht werkelijk als volgt. Oh, ik ben een jeugdige delinquent. Gelukkig ben ik blijven evolueren. Ik steek mijn broek niet zomaar meer af.